De gedichten uit deze bundel geven mij de ervaring van nippen aan een glas wijn en net als ik me afvraag waar het naar smaakt, wordt er een doek over heen gelegd.
Eerst werd ik er door verrast, maar gaandeweg begon de bundel mij te irriteren.
Pas in de laatste zes gedichten wordt “het niet-gebeurde overschouwelijk en bezoekbaar” zoals zij schrijft in het gedicht “zaal”. Hier springt de schrijfster over haar schaduw en ontvouwt zich een voorproef van leesbaarheid. Ben je echter niet zo’n doorzetter, dan heb je dit boekje al eerder terzijde gelegd.
'Al die lijnen, zo moet het vroeger ongeveer geweest zijn bij hem vanbinnen' zei ze eens tijdens de training van haar kind. Al die onrust, alsof er piepkleine schaatsers door zijn keel zoefden. Zo stelt zij het zich voor bij Yves.
Een boek dat het de lezer door de niet-chronologische structuur enerzijds niet altijd makkelijk maakt, maar hem/haar anderzijds extra dimensies aanbiedt. Dit gecombineerd met de dwangstoornis van Yves die alle stemmen uit zijn omgeving voortdurend inslikt en opslaat in zijn strottenhoofd, de complexe relaties tussen Yves, Lucy en Patrick en de symboliek van kleuren, vlakken en lijnen zorgen voor een boek van een onderkoelde schoonheid. Ijsschaatsen zal nooit meer zijn zoals voorheen!