Hij was een etterpuist geweest. Een paar uur geleden dacht hij dat hij zou sterven. Hij zag de glimlach van de arts als een teken van neerbuigendheid. Ze had een druktemaker voor zich. Een hysterisch type.
Max Gosset, is de hoofdpersoon in Donderhart, een roman van Thomas Blondeau (1978). Max is een niet onverdienstelijk journalist en werkt als redacteur voor het onafhankelijk opinieweekblad Criterium.
Zijn privéleven is nogal een warboel maar op professioneel vlak heeft hij het toch wel redelijk ver geschopt.
We schrijven 6 juli 2005 en Max moet naar Londen om een Amerikaanse schrijver wiens werk verfilmd wordt te gaan interviewen.
Van meet af aan blijkt Max een zeur, een zelfkweller en een ijdeltuit. Hij splitst ons gefilosofeer over zijn niet werkende relaties in de maag en verdoet heel wat tijd met gepieker over diëten die niet willen aanslaan, over zijn uiterlijk en de kleding die wel te duur is maar dan toch maar aangeschaft wordt.
Tot overmaat van ramp ontmoet hij ook nog een beroemde zangeres die hem jaren geleden de bons gaf maar nu blijkbaar weer contact wil. De ex verdwijnt weer op de achtergrond en Max concentreert zich weer op het interview en dat komt goed uit de verf.
Londen feest want het heeft de Oympische spelen voor 2012 kunnen binnenhalen. De feestvreugde is van korte duur want de dag daarop wordt de Britse hoofdstad opgeschrikt door terroristische bomaanslagen.
Max slaapt door de aanslagen heen omdat hij tot laat in de nacht met de uitwerking van het interview bezig was en ook allerlei onverwerkte dingen hem een slechte nachtrust bezorgden.
Maar kom, in de tragische feiten moet voor een journalist een goed verhaal zitten, maar indien men afhankelijk is van derden voor het al dan niet plaatsen van een artikel worden de dingen ingewikkeld. Max dwaalt door een verward Londen en een verwarde ziel.
Thomas Blondeau schildert met woorden en dat levert prachtige passages op.
de dichter is tevergeefs een archeoloog
al delft hij op het omgekeerde / hemelhoog:
het Kind wordt nimmer opgegraven
voorgoed is dood zijn thuis; de haven
Boudewijn Büch (1948-2003) was een veelzijdig auteur: hij publiceerde romans, gedichten, schreef in tal van tijdschriften en dagbladen columns en publiceerde in wetenschappelijke tijdschriften. Boudewijn Büch debuteerde in 1976 met de dichtbundel Nogal droevige liedjes van de kleine Gijs. Het was een bundel waarin zijn passie voor Goethe duidelijk in terug te vinden was. Zijn zeer klassieke verzen over androgyne personen konden niet op veel waardering rekenen.
In 1985 verscheen de gedichtenbundel Het androgyn in ska, waarbij ‘het androgyn’ verwijst naar het jongensmeisje. In veel gedichten gaat het om de
vergeefsheid van Büchs pogingen de zoon via de taal weer tot leven te wekken. De bitterheid om het besef dat er een scheiding bestaat tussen dood en leven en de tijd niet kan worden opgeheven, klinkt in Büchs poëzie ook duidelijk door.
Deze gedichten contrasteren in die zin met zijn proza, dat het zelfbeklag en de mythomanie die het in zijn romans uitstekend deden, hier minder goed uit de verf komen.
Boeiende bundel maar deed me ook wel regelmatig aan Kerkhofblommen van Guido Gezelle denken.
Het was zo zwaar, alsmaar lopen! Ik was banger voor de Chinezen dan voor de sneeuw en de wilde dieren. De hele weg lang miste ik mijn moeder. Als ik geen kracht meer had om verder te gaan, kon ik niet anders doen dan nog meer mijn best doen. De bergen waren soms heel steil en de paden zo smal! Vaak versperden grote rotsblokken de weg. Toen we het ijs bereikten, werd het erg glad.
In Tibet is het leven erg zwaar, onder andere door de druk van China. Een voorbeeld: Tibetaanse kinderen krijgen niet dezelfde onderwijskansen als de Chinese kinderen in Tibet. Ook is er grote armoede en hongersnood. Voor een derde kind moeten hoge belastingen betaald worden.
Tibetaanse ouders sturen om deze en andere redenen hun kinderen met een gids mee over de Himalaya in zeer barre omstandigheden. Ze worden begeleid naar India en overgedragen aan de Dalai Lama die zorgt voor huisvesting en onderwijs.
Tijdens de reis die in dit boek beschreven staat, is het jongste kind 6 jaar! De ouders blijven, eventueel met nog andere kinderen, achter in Tibet. Er zou ook een film gemaakt zijn van het boek. Ik vond het heel interessant om te lezen.
Paddy Clarke ha ha ha gaat over een 10-jarig jongetje dat leeft in het Ierland van de jaren zestig. Niets lijkt zijn geluk in de weg te staan. Hij haalt kattenkwaad uit met zijn schoolkameraden en doet niets liever dan zijn broertje pesten. Er beginnen zich echter langzaam scheuren af te tekenen in het huwelijk van zijn ouders en ook Paddy lijdt daar flink onder.
Het boek is echt fantastisch. Roddy Doyle slaagt er ontzettend goed in om het verhaal te vertellen door de ogen van Paddy. Hierdoor weet de lezer ook vaak nét iets meer dan het hoofdpersonage, doordat wij, als volwassenen, beter begrijpen wat er aan de hand is dan hetgeen een 10-jarig kind kan plaatsen.
Het is trouwens wel een boek dat het best in de engelstalige versie gelezen kan worden. Door het taalgebruik krijgt het toch wel een extra dimensie mee en dit kan nooit overkomen in een vertaalde versie.
Noord-Europa staat bekend om zijn hoge zelfmoordcijfers. Dat zou door de lange winters zonder zonlicht komen. Julie – het hoofdpersonage in Muleum – wil om heel andere redenen zelfmoord plegen. Haar ouders en broer zijn omgekomen in een vliegtuigongeluk en sindsdien hoeft het voor haar ook niet meer zo nodig. Maar zelfmoord plegen blijkt eenvoudiger gezegd dan gedaan.
De grootste verdienste van Muleum is de sprekende, bijna nonchalante manier waarop Julie vertelt over haar doodsverlangen. Bijvoorbeeld zo: ‘Zo kort mogelijke dagen, dat is mijn doel. Nog maar net wakker of je moet alweer naar bed. Dat is mijn ideaal.’ Zelfmoord is niet om mee te lachen, maar dit boek is nooit zwaar, zwartgallig of zelfs maar deprimerend. Daartegenover staat dat het geheel iets meer pit mocht hebben. Als verhaal hebben de zelfmoordneigingen en -plannen van Julie net niet genoeg om het lijf.