Negen Automobilisten, gestrand in een sneeuwstorm. Een moord, acht verdachten.
Het boek was redelijk ingewikkeld door de verhaallijnen alsmede door de talloze personages. En ik kreeg ook niet echt een band met de personages, alles was nogal afstandelijk. Je moet goed puzzelen om door het boek te geraken, om alles een plaats te geven.
En toch trok het stadje me aan, het had iets dromerigs deze herfstdagen. Alsof het betoverd was, met een melancholiek licht dat op de grijze en gele baksteen viel, terwijl het vreemd stil was nu de vogels vertrokken waren en de dorsmachines in de omgeving zich niet meer lieten horen.
Dit boek valt in twee duidelijke delen uiteen: een teleurstellend en een, goddank, véél homogener. Ik vraag me af of beide delen wel door dezelfde schrijfster werden neergepend.
Laat ik beginnen met de teleurstelling. In deel 1 poogt Munro haar familiegeschiedenis te ontrafelen, zijnde de emigratie in de 19de eeuw van haar Schotse betovergrootvaders naar Amerika en Canada. Ze doet dit echter op zo’n ingewikkelde manier, saai en stijlloos op de koop toe, dat ik bij momenten wou afhaken. Ik zette door in de hoop dat deel 2 van een andere kaliber zou zijn en inderdaad, Munro herpakt zich, ze bevindt zich hier duidelijk op bekend terrein, zijnde haar eigen leefwereld. De verhalen waarin ze haar verloving, huwelijk en verhuis beschrijft, zijn een stuk gevoeliger en meer uitgebalanceerd. Helaas gaat op den duur ook hier haar gehakketak op de zenuwen werken en helemaal cru wordt het naar het einde toe, wanneer ze de ontdekking van een borstgezwel als een akkefietje van de hand doet, maar wel bladzijden lang doorwauwelt over archeologische vondsten in het land van Pluto, zijnde de Canadese uiterwaarden.
Het boek wemelt bovendien van de herhalingen, van slordigheden, van de uitleggerigheid en de taal- en vertaalfouten. En waarom ze met een epiloog komt aanzeulen als de zoveelste doorslag van wat ze reeds heeft verteld, daar heb ik het raden naar.
Ik heb met plezier Munro’s vorige boeken gelezen, maar dit veel te langdradige werkstuk spatte in mijn gezicht open als een zomerse zeepbel.
Vier meisjes. Vier jongens. Ze vervelen zich stierlijk. En dus bereiken en verleggen ze grenzen. Kutjes tonen langs de autostrade -er raken 2 auto's de weg af en hun bestuurders verongelukken, hoera!- en later kutjes verkopen voor geld. Al gaat ook dat geld bijzonder snel vervelen.
Als een van de jongens bij wijze van seks-experiment een ijspegel in de schede van een van de meisjes ramt, sterft ze. Maar ach, ook van de dood ga je snel gapen...
Ik kan me voorstellen dat dit boek heisa veroorzaakt en sommige lezers shockeert. Maar het blijft allemaal zo koud en afstandelijk, dat alle gruwel erg gaat vervelen. De inhoud van het boek raakt al bij al weinig. De taal van het boek is wel geweldig: puntgaaf, spits en niet geforceerd.
Door een milde bries samengeveegd
Liggen de bloesems in een bocht van de weg
Als een pels in de straatstenen gereden
Wanneer ik de dichtbundel Alaska vergeleek met het prozawerk van Peter Verhelst, kwam ik persoonlijk tot de conclusie dat deze poëzie conventioneler is dan zijn proza zoals Tongkat of Zwellend fruit. De jongere generatie zal zeker makkelijker meekunnen want we vinden heel wat materiaal terug. De poëzie is heel visueel maar sober. Soms vervat in lange zinnen die net op het randje aan proza ontsnappen.
De titel Alaska is eigenlijk heel toepasselijk, want deze poëzie is eigenlijk net als het land zelf: ijzig, onherbergzaam, maar wel fascinerend.
Houellebecq trekt de thema's uit zijn vorige boeken consequent door. Hij schetst een toekomstbeeld waarin het individualisme van de mens tot een verschrikkelijk steriele samenleving (het woord is hier zelfs ongepast) leidt.