De leeswereld van Paul Verhaeghe

'Lezen is denken met andermans hoofd', zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Paul Verhaeghe, hoogleraar.

door Matthias M.R. Declercq 
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

'Zonder bibliotheek in de buurt was ik nooit hoogleraar geworden', zegt Paul Verhaeghe. Hij zegt het op een rustige, gedecideerde toon, als was er geen andere optie. De toegang tot boeken als conditio sine qua non voor een leven dat nog altijd bestaat uit kennis, en het uitbouwen van die kennis. 'De dorpsbibliotheek lag in onze straat, dat was mijn redding.'

Misschien was hij, Paul Verhaeghe, de van opleiding klinisch psycholoog, zonder die bib misschien schrijnwerker geworden, zoals zijn oom. Als kind hield hij al van het hout, van de textuur en de geur, en als student maakte hij zelfs zijn eigen meubels. Maar de toegang tot de bib was er, en een leven later is het jongetje dat die West-Vlaamse parochiebibliotheek uitlas, een man met een eigen bibliografie en een stem die het maatschappelijk debat mee vormgeeft. Wat begon met een lange academische carrière, waarin hij zich vooral verdiepte in psychodiagnostiek, psychoanalyse en genderstudies, sloeg hij met Liefde in tijden van eenzaamheid (1999) de brug naar het brede publiek, waarop een drieluik volgde - Identiteit (2012), Autoriteit (2015) en Intimiteit (2018) - en hij zijn maatschappijkritiek steeds verder verfijnde, maar ook aanscherpte. Dat doet hij ook in Houd afstand, raak me aan, en op zijn boekenblog. Daarin bespreekt hij non-fictiewerk dat aansluit bij zijn gekende thematiek, en vat de ondertitel het doel goed samen: Een van de mooiste geschenken is een boek, hetzij omdat het je wakker schudt, hetzij omdat het je helpt inslapen.

Buitenkind

“Cultuur was in ons dorp weinig meer dan de fanfare. Mijn ouders vonden boeken alleen maar geldverspilling. Lezen was voor niks nodig.”

'Ik was een buitenkind', zegt Verhaeghe, 'zoon van een schoenmaker, met vriendjes die allemaal van boeren afstamden. Ging ik na het spelen terug naar binnen, dan bleef er voor mij maar één activiteit meer over: lezen. Er was ook niks anders: geen televisie, geen internet, niks. Ik kom uit een goed nest, maar op intellectueel vlak was er weinig voor handen, en cultuur was in het dorp weinig meer dan de fanfare. Mijn ouders vonden boeken overigens alleen maar geldverspilling. Lezen was voor niks nodig.' Zestig jaar later is de privé-bibliotheek ten huize Verhaeghe dubbel zo groot als de toenmalige dorpsbibliotheek waarin hij het licht zag.

De spotvogel

© Michiel Devijver | Iedereen Leest

'Als lezer zoek ik naar schoonheid en inhoud. Het is niet zo dat mijn leeswereld alleen uit non-fictie of andere vakliteratuur bestaat, integendeel. Ik lees in hoofdzaak fictie, en bevalt een boek, dan lees ik het soms diezelfde week nog eens opnieuw. Dat heb ik gedaan met Mijn lieve gunsteling van Marieke Lucas Rijneveld. Zo'n roman lees ik niet door de bril van de psycholoog, maar gewoon als geïnteresseerde. Bij haar eerste boek (De avond is ongemak) was ik al van mijn sokken geblazen. Die taal, die metaforen, die stijl, en dat op zo’n jonge leeftijd. Fantastisch.'

'Hoe ouder je wordt, hoe meer je weet wat je zal boeien of verrijken. Als kind is dat anders. In de dorpsbibliotheek ging ik vooral af op de zedelijke quotering (lacht). De parochiebib was toen verbonden aan het katholiek onderwijs, en ieder jeugdboek kreeg een score van 1 tot 6, in Romeinse cijfers. Hoe lager de quotering, hoe meer vraagtekens er bij het boek werden gesteld, en hoe nieuwsgieriger je natuurlijk wordt. Al ging de score in het dorp maar tot 3. De boeken van pakweg Sartre zullen '1' hebben gekregen, omdat ze religie in vraag stelden. Veel hulp was er niet. Ik pikte een boek uit de kast en begon te lezen. Zo kwam het voor dat ik op volwassen leeftijd Spaar de spotvogel las van Harper Lee, en ik me na een tijd realiseerde: hé, ik ken dit boek precies. Ongetwijfeld had ik het als tiener al gelezen, maar ik las ook veel brol, bij gebrek aan begeleiding.'

Griekse tragedies

“Ik kan het belang van die leerkrachten niet genoeg onderschrijven: zij gaven richting aan het lezen, bespraken hedendaagse versies van 'Antigone' en 'Oedipus' en voedden de nieuwsgierigheid naar de wereld om me heen.”

'Pas op de middelbare school leidden leerkrachten me naar de werkelijk interessante literatuur. Ik kan het belang van die leerkrachten niet genoeg onderschrijven: zij gaven richting aan het lezen, bespraken hedendaagse versies van Antigone en Oedipus (allebei van Sophocles) en voedden de nieuwsgierigheid naar de wereld om me heen. We lazen Griekse teksten niet louter ter illustratie van de ablatief of de accusatief, maar om de inhoud te analyseren en er de grote vragen uit te destilleren. De leerkrachten leerde me nadenken en verbanden leggen tussen de oude Grieken en de hedendaagse literatuur. Zo is de schuldvraag zeer aanwezig in Griekse tragedies, en wie is opgegroeid in de katholieke wereld, weet dat ook daar de schuldvraag vaak centraal staat. Toen al ging het mij om de mens, meer dan om de maatschappij waarin die zich begaf. Al was er aan die maatschappij geen ontkomen aan toen de geest van mei '68 overwaaide naar Vlaanderen, begin jaren zeventig. Zo las ik als student psychologie het werk van George Orwell en discussieerde daarover met vrienden. Indirect draaide alles toen om de samenleving. Ik kocht toen mijn eigen boeken, tweedehands, in De Kaft, vooral Engels- en Franstalige boeken, omdat deze spotgoedkoop waren.'

Wennen

'Rond de millenniumwisseling heb ik een aantal jaar bijna geen romans gelezen. Het was nadien zelfs wennen om weer fictie te lezen. Daar zat mijn werk als klinisch psycholoog voor iets tussen. Te weten dat ik ben opgeleid met het individu-model, diagnosticeerden we de mens als individu, maar bij steeds meer consultaties verwezen de mensen zelf naar de arbeidsvloer als oorzaak voor hun problemen. Niet louter in fabrieken, maar ook in universiteiten bijvoorbeeld. Ik zag collega’s uitvallen met een burn-out en stelde me vragen. Dat was een kantelmoment voor mij, te beseffen dat wat ik als hoogleraar onderwees, vertrekkende vanuit het individu, niet meer strookte met de realiteit. Ook de oude 'seksuologie', later omgedoopt tot genderstudies, was in beweging. Men sprak nu over de seksuele identiteit in de maatschappij. Dus las ik me in, kreeg de kans om de grenzen van mijn vakgebied te overstijgen en elders aan te kloppen, om zo tot het eerste boek te komen over onze samenleving: Identiteit. Pas later kwam ik opnieuw toe aan het lezen van romans, met dank aan Erwin Mortier, die mijn aandacht voor Nederlandstalige literatuur weer aanscherpte. Voordien las ik voornamelijk Franstalige en Engelstalige romans. Sindsdien was alles weer in evenwicht.'

“Ook voorlezen is van groot belang. Iemand moet de kinderen op weg helpen.”

Voorlezen

© Michiel Devijver | Iedereen Leest

'Net zoals de leerkrachten zo belangrijk waren bij het ontwikkelen van een eigen leeswereld, is ook voorlezen van groot belang. Iemand moet de kinderen op weg helpen. Mijn vrouw heeft die taak op zich genomen en heeft onze kinderen voor het slapengaan telkens voorgelezen. Nog altijd lezen mijn zoon en dochter en wisselen we boeken uit. Ik gaf mijn dochter net nog De kolibrie van Sandro Veronesi en Zwarte schuur van Oek de Jong. Intussen zit het oudste kleinkind ook al in het eerste leerjaar, en reiken we haar boekjes aan. Want daar begint het mee: met plezier, en niet met de prestatie. Het was nooit anders.'



Deel dit artikel: