In het atelier van Ingrid Godon

Hoe ziet de werkruimte van illustratoren eruit? Wat zijn hun rituelen, talismannen en eigenaardigheden? Waaruit putten ze inspiratie en hoe komen ze tot hun beste werk? Journaliste Katrien Steyaert mag binnenkijken in hun ateliers en in hun creatieve geesten. Michiel Devijver maakt er foto’s bij. Deze keer: op bezoek bij Ingrid Godon in Lier.

door Katrien Steyaert | foto's: Michiel Devijver
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

Pronkkast

‘Ik zet graag de schuifdeur naast mijn werktafel open, dan voel ik een briesje, en door het raam valt vaak heel schoon licht binnen. De verbouwing die ik in 2017 deed was dus zijn geld en al het stof waard. In mijn nieuwe atelier omring ik me met mooie dingen: op mijn schildersezel hangt een prachtige print van de Franse kunstenaar Philippe Weisbecker en in mijn pronkkast staan de oude poppen waar ik zo zot van ben. Mijn laatste aanwinst zijn Hans en Grietje, poppenkastpoppen uit de jaren 50. Dat is het kind in mij, zeker? Veel van de figuren die ik verzamel hebben de blik van mijn personages: naar binnen gericht.’

Twijfel

‘Tekenen is voor mij altijd even natuurlijk geweest als eten, drinken, ademen en slapen. Terwijl mijn broer en zussen in onze boomgaard speelden, zat ik mannekes te tekenen. Op school kreeg ik er een rot gevoel door, want ik kwam niet aan bod, ik was 'dat tekende kind dat niet kon volgen'. Het zadelde me op met een laag zelfbeeld, waar ik lang mee geworsteld heb. Pas toen ik mijn rampjaar overleefde – in 2008 werd ik weduwe én kreeg ik kanker – en daar zelfs sterker uitkwam, voelde ik dat ik toch iets kan. Mijn beste boeken volgden daaruit, al slaat bij elke opdracht de twijfel nog toe.’

In de hoek

‘Mijn vluchtgedrag blijft onwaarschijnlijk. Dan ga ik winkelen, mailen of gewoon zitten staren – alles om maar niet aan mijn werktafel te moeten gaan zitten. Tot ik me te erg in de hoek gedrukt voel, er bijna geen tijd meer overblijft en ik denk: “Deze keer ga ik het echt verknallen.” Maar dan komt er altijd iets waardoor ik toch spring. Ik ben heel goed in die laatste fase. Tot net voor de deadline durf ik bijna een volledig boek weggooien als ik het niet goed genoeg vind. Ik ben altijd zo streng geweest voor mezelf. Ik blijf ook nieuwsgierig naar nieuwe mogelijkheden. Zo leer ik het meest.’

“Tekenen is voor mij altijd even natuurlijk geweest als eten, drinken, ademen en slapen. Terwijl mijn broer en zussen in onze boomgaard speelden, zat ik mannekes te tekenen. Op school kreeg ik er een rot gevoel door, want ik kwam niet aan bod, ik was “dat tekende kind dat niet kon volgen”. Het zadelde me op met een laag zelfbeeld, waar ik lang mee geworsteld heb.”

Dantesken

‘Een illustratie is goed als ze mij verrast en iets fris heeft. Daarom teken ik de laatste tijd geen schetsen meer over op de lichtbak en bewerk ik niet meer, ik wil dat het er in één keer op staat. De experimenten die niet, zoals het merendeel, in het containerpark eindigen hou ik bij. Ik heb erin gegrasduind voor Dantesken, mijn allereerste kunstboek, 640 pagina’s dik (uit sinds 2018, red.). Ik maakte er ook veel nieuwe illustraties voor. Tien per dag vloeiden er soms uit. Het had te maken met eindelijk durven loslaten, denk ik. Ik ben benieuwd waar dit meer autonome, meer op volwassenen gerichte werk me zal brengen.’

Kapsels en nektapijten

‘Ik heb altijd een zwak gehad voor oude portretfoto’s. Het zijn verstilde momenten uit onbekende levens. Een blik in de ogen kan me inspireren, een houding, of kapsels en nektapijten zoals die in People of Lentini 1972-1980, een boek met studiofoto’s dat in mijn atelier rondslingert waardoor sommige gedateerde kapsels mijn werk binnenslopen. Ik vond het boek op een art book fair in Turijn. Zoals bijna alles in mijn carrière kwam het gewoon op mijn pad. Ook het prachtig vergeelde papier waarop ik tegenwoordig teken vond ik per toeval, in een ter ziele gegane drukkerij in de Westhoek. Zo’n ontdekking is altijd een feest.’

Dansen op Bach

‘Ik begin minder gedisciplineerd aan mijn dag dan toen ik drie kinderen op school moest krijgen en om den brode tekende. Nu ben ik alleen thuis en doe ik het bewust rustiger aan. Als de gezonde stress er is, ga ik ’s morgens wel vroeg naar boven, naar mijn atelier. Ik neem straffe koffie met een schuimkraag en pure chocolade mee. Muziek zit ook in het pakket. Ik heb een brede smaak, van Abba tot Bach, hij is mijn grote vriend. Meestal speelt er gewoon iets op de achtergrond, maar soms, als het ondanks of dankzij al het gewroet toch lukt om te bereiken wat ik wil, dan draai ik de volumeknop open en maak een rondedansje.’

“Een illustratie is goed als ze mij verrast en iets fris heeft. Daarom teken ik de laatste tijd geen schetsen meer over op de lichtbak en bewerk ik niet meer, ik wil dat het er in één keer op staat. De experimenten die niet, zoals het merendeel, in het containerpark eindigen hou ik bij.”

Ruggen lezen

‘Mag er niet eens gelachen worden? Dat denk ik soms als ik mijn personages zie, maar louter vrolijke figuurtjes vind ik niet mysterieus genoeg. Ze roepen weinig op. Wat me in mensen raakt, is net hun kwetsbaarheid. Daarom kan ik ook eindeloos naar ze kijken. Het is alsof er een scanner in mijn hoofd zit waarmee ik blikken, houdingen, zelfs ruggen kan lezen. Als een spons zuig ik alles op, waarna ik dat fragiele en tedere terug in mijn tekeningen probeer te stoppen. Als mensen zeggen dat ze mijn mannekes wel zouden willen omarmen, dan vind ik dat fantastisch, dan ben ik geslaagd in mijn opzet.’

Zomeracademie

‘Na veertig jaar carrière voel ik nog altijd zo’n grote honger dat ik er soms ‘s nachts van wakker lig. Ik had het onlangs, toen ik in residentie was in het Frans Masereel Centrum in Kasterlee, een ontmoetingsplaats voor grafici. Houtsnede, risoprint, steendruk, lino- en monotype – ik probeerde het daar allemaal uit. Ik ben autodidact dus het voelt alsof ik nog altijd veel te leren heb. Ik heb me alvast ingeschreven voor een zomeracademie houtsnede in Libramont en experimenteer nu met olieverf. Ook qua kleur blijf ik evolueren. Vroeger koos ik altijd voor gedempte tinten, maar nu mag het geel of het blauw al eens knallen.’

Naar Rome

‘Ik heb mezelf altijd wijsgemaakt dat ik het liefst alleen werk, maar onder meer in Kasterlee kreeg ik de smaak te pakken om af en toe een plek te delen met anderen, die ook allemaal zoekende zijn en van wie ik dan de creatieve energie voel. Binnenkort heb ik tien dagen een atelier in Rome – ik heb iets met Italië – en ik droom al hardop van Zuid-Frankrijk, waar mijn leraar uit Libramont residenten ontvangt. Ik zit op een punt dat ik me op werkvlak afvraag: 'Wat nu?' Onderweg zijn en nieuwe mensen ontmoeten kan helpen om die vraag te beantwoorden. Het spannende is dat het naar mijn gevoel eigenlijk nog allemaal moet beginnen.’



Deel dit artikel: