In het atelier van Sebastiaan Van Doninck

Hoe ziet de werkruimte van illustratoren eruit? Wat zijn hun rituelen, talismannen en eigenaardigheden? Waaruit putten ze inspiratie en hoe komen ze tot hun beste werk? Journaliste Katrien Steyaert mag binnenkijken in hun ateliers en in hun creatieve geesten. Michiel Devijver maakt er foto’s bij. Deze keer: op bezoek bij Sebastiaan Van Doninck in Zoersel.

door Katrien Steyaert | foto's: Michiel Devijver
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

Geborgen in de garage

‘In Antwerpen heb ik lang gesukkeld met ateliers: eerst waren ze te klein, dan te groot. Pas sinds we verhuisden naar dit huis in het groen vond ik mijn plek. De garage hier is een paar maanden geleden omgebouwd tot werkruimte en die heeft de perfecte afmetingen om me geborgen te voelen. Als kind had ik al een wereldje nodig om in te verdwijnen. Mijn ouders waren ook pleegouders voor zeven geplaatste kinderen en van die soms harde realiteit vluchtte ik weg in tekenen. Tegelijk was het mijn manier om dingen te begrijpen en dirigent te zijn in mijn eigen, kleine universum. Dat trekt me nog altijd zo aan in tekenen: het bevrijdt me.’

Verlekkeren

‘Er zijn momenten dat ik moet stoppen en de afwas gaan doen om weer op het juiste spoor te geraken, maar op een goede dag zit ik te zingen en dansen achter mijn tekentafel. Bij mijn laatste boek, De fantastische vliegwedstrijd (met tekst van Tjibbe Veldkamp, red.), kon ik zo hard het avontuurlijk jongetje in mezelf loslaten dat ik met veel plezier twee weken werkte aan elk van de twaalf grote aquarelprenten. Bij het begin van elke werkdag moest ik maar mijn vodjes klaarleggen en vers water halen, of het papier zien dat ik de avond ervoor had opgespannen en ik verlekkerde me al helemaal op er weer tegenaan mogen gaan.’

Zonder trukendoos

‘Als student had ik een bloedhekel aan aquarellen. Eén fout en je kunt een week werk weggooien. Toch is het nu de techniek waarbij ik me het best voel. Ze levert iets lichts en naturels op, zoals een plant die nieuwe blaadjes krijgt. Dat frisse kan ik het best pakken met het diepe pigment van de Professional Series van Winsor & Newton en op poreus Arches-papier. Ik heb ook een Cintiq-tekentablet en Photoshop, maar de overdaad aan opties die zo’n digitale trukendoos je biedt stoort me vaak. Ik zit dan eindeloos te verbeteren tot er in de tekening geen greintje leven overblijft. Binnen beperkingen werken triggert mij meer.’

“Als kind had ik al een wereldje nodig om in te verdwijnen. Mijn ouders waren ook pleegouders voor zeven geplaatste kinderen en van die soms harde realiteit vluchtte ik weg in tekenen.”

Knullig kan

‘In mijn beginjaren was mijn perfectionisme zo verlammend dat ik het soms afschuwelijk vond dat mijn werk was uitgegeven. Intussen kan ik fouten toelaten. Ik vond mijn signatuur, en dat riedeltje herhaal ik ook tegen mijn studenten aan Sint Lucas: werk niet om de goedkeuring van anderen te krijgen, maar vertrek vanuit iets oprecht persoonlijks. Het resultaat ziet er misschien knullig uit, maar als het raakt, is het goed. Dan kan het ook blijven hangen. Een illustratie te mooi, te glad of te juist maken, creëert afstandelijkheid. Het staat de emotionele band met de lezer in de weg, en die band is toch wat ik najaag.’

Dramaqueen

‘Als ik te traag vooruitkom of het werk te oppervlakkig blijft, is er maar één redmiddel: mijn Spotify-lijst met de meest obscure, dark gothic-muziek afspelen. De dramaqueen in mij heeft dat dan nodig om een elektroshock te krijgen of tot een catharsis te komen. Het helpt ook om mijn man weg te jagen uit mijn atelier. Grégory vindt mijn zware elektro afschuwelijk.’ (lacht) ‘Hij stoort mij niet echt, hoor, ik werk gewoon het meest geconcentreerd als ik alleen thuis ben. Dan staan we samen om zes uur op, vertrekt Grégory naar zijn werk, ga ik joggen om mijn hoofd leeg te maken en zit ik om acht uur fris in mijn atelier.’

Tante nonneke

‘Soms zit ik twintig minuten in onze vijver te staren. Ik vind dat echte qualitytime, net als werken in onze grote tuin. Als ik niet oplet, verlies ik me daar een hele week in. Ik groeide dan ook op vlakbij een natuurreservaat, met thuis kippen, schapen, konijnen en parelhoenen. Van mijn tante nonneke kreeg ik bakken vol fiches over de dieren van de wereld. Avonden lang zat ik die te bewonderen. Ik sloeg de informatie allemaal op, denk ik, want voor de vele dieren die ik nu teken, googel ik nauwelijks. Ik put uit mijn geheugen en probeer de charme en verwondering van mijn herinneringen in mijn illustraties te krijgen.’

“In mijn beginjaren was mijn perfectionisme zo verlammend dat ik het soms afschuwelijk vond dat mijn werk was uitgegeven. Intussen kan ik fouten toelaten. ”

Shabby schetsboekjes

‘Verhalen moeten rijpen in mijn hoofd. Dat geldt voor de teksten van anderen die ik illustreer, maar ook voor het boek over mijn jeugd waaraan ik nu al enkele jaren werk. Ik wil daarin naar de essentie gaan, zo spontaan mogelijk, en dat lukt maar met mondjesmaat. Ik werk eraan op vrije momenten, zonder druk. Ook op vakantie neem ik vaak schetsboeken mee. Dat kunnen prachtige, dure exemplaren van Hahnemühle zijn, maar eerlijk gezegd geven goedkopere, shabby schetsboekjes me minder stress. Ik vind het belangrijk om daarin te herbronnen, om tijd te nemen om te verwerken wat ik gedaan heb en te bedenken waar ik naartoe wil.’

Instagram

‘Ik analyseer veel terwijl ik bezig ben: communiceert dit beeld goed? Geeft het niet té veel weg? Ik krijg op mijn werk ook graag constructieve kritiek van anderen. Ik vraag zelfs feedback op Instagram, al doe ik dat vooral om mijn illustraties openbaar te maken. Daardoor gaan ze tot het verleden behoren, wat het voor mij gemakkelijker maakt om er in de intimiteit van mijn atelier aan verder te werken. Soms vertrek ik vanuit humor – een deel van mij houdt van vrolijkheid en lachen – soms vanuit poëzie, maar altijd eis ik een soort vrijheid op. Alleen dan ontstaat er een echte dialoog tussen tekst en tekening.’

Inzegenen

‘Voor mijn garage-atelier haalde ik mijn plastic Bambi’s en poedels weer uit de dozen, samen met andere nostalgische objecten die ik vroeger verzamelde. In mijn kast hangt een geluksbrenger die ik kreeg van een vriendin met wie ik ooit een atelier deelde – dat was een fantastische tijd. In het licht van het grote raam staat mijn tafel waar ik schilder, in een andere hoek zette ik mijn bureau met computer tegen een muur vol postkaarten. De meeste vond ik op rommelmarkten en reizen. Het zijn afbeeldingen die me visueel iets doen en waaruit ik pluk. Door ze hier op te hangen, kon ik meteen mijn nieuwe werkplek inzegenen.’

“Ik heb heel veel geleerd van kijken naar architectuur, fotografie, film en hedendaagse schilderkunst, maar nu lijkt de honger even gestild. Het voelt alsof ik in mijn eigen werk iets op het spoor ben en dat dat voorlopig genoeg is om me in te verdiepen.”

Vleermuis

‘In mijn atelier staat een tekening die ik ooit maakte van een vleermuis. Het is een onooglijk aquarelletje, maar het beeld zit juist en het herinnert me eraan dat ik dat gevoel moet blijven najagen. In huis hangt veel werk van andere artiesten, zoals Piet Raemdonck, Ellen Vrijsen en Inge Cornil, maar kunstboeken of catalogussen koop ik niet meer zoveel als vroeger. Ik heb heel veel geleerd van kijken naar architectuur, fotografie, film en hedendaagse schilderkunst, maar nu lijkt de honger even gestild. Het voelt alsof ik in mijn eigen werk iets op het spoor ben en dat dat voorlopig genoeg is om me in te verdiepen.’



Deel dit artikel: