De leeswereld van Arno Van Vlierberghe

'Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Arno Van Vlierberghe, dichter.

Door Matthias M.R. Declercq
© Michiel Devijver en Iedereen Leest
© Michiel Devijver en Iedereen Leest

Toen de moeder van Arno Van Vlierberghe haar zoon op zestienjarige leeftijd dat ene boek in handen drukte, kon de tiener niet bevroeden dat het dunne boekje zijn Leeswereld vooral altijd zou verpesten. Dat woord plakt hij er zelf op, verpesten, in een lege Vooruit in Gent, waar de dichter in heldere, romaneske taal uitlegt dat hij sinds Het boek Alfa van Ivo Michiels, want daar gaat het over, zelden nog opgewonden raakt van mainstream literatuur. Michiels, de vader van de Vlaamse, experimentele literatuur, had de ogen van de Brusselse tiener geopend. Vijfentwintig jaar later kijkt Arno Van Vlierberghe nog met diezelfde blik naar de wereld. Hij, auteur van de vlammende dichtbundels Vloekschrift en Ex Daemon, panellid van Uitgelezen en boekverkoper in Het Paard van Troje, ziet sinds dat ene boek de scheuren in de wereld, de leugens, de systematiek, en zweert bij al wie daar tegenin gaat.

Klikken

“Hoe Ivo Michiels schrijft, is hoe mijn brein werkt. Ik heb autisme en ik voelde het klikken in mijn hoofd. Hij schrijft zo ontwrichtend en zo onvoorspelbaar, maakt daarin gebruik van zoveel technieken, dat het haast als wiskunde voor me aanvoelde.”

‘Toen ik Het boek Alfa las, gebeurde er iets in mijn hoofd’, zegt Arno. ‘Hoe Michiels schrijft, is hoe mijn brein werkt, op een haast fysiologische manier. Ik heb autisme en ik voelde het klikken in mijn hoofd. Michiels schrijft zo ontwrichtend en zo onvoorspelbaar, maakt daarin gebruik van zoveel technieken, dat het haast als wiskunde voor me aanvoelde. Die discongruentie, de nevenschikking, de juxtapositie: dat is ook hoe ik denk, hoe ik in mijn hoofd dingen samenbreng. Ik ga blijkbaar goed op brain fucks. De taal in Het boek Alfa is zo ontzettend visceraal. Michiels schrijft scherp en agressief over oorlog, met steeds wisselende perspectieven, met personages zonder namen, waardoor de taal na een tijd als de oorlog zelf aanvoelt.’

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

En toch gebruikt Arno het woord ‘verpest’. ‘Omdat er sindsdien geen weg meer terug was’, zegt hij. ‘Als kind las ik veel jeugdliteratuur, maar in de jongensfase, de vroege puberteit, zat ik een beetje vast. Ik verspilde mijn tijd aan gamen en skaten. Verpest, omdat ik na het lezen van Michiels nog twee jaar moest uitzitten op de middelbare school, waar we gedichtjes moesten lezen, verhalen, geschiedenissen van A tot Z, maar ik geloofde niet langer in het ordenen van de werkelijkheid. Ik zag de dingen eerder simultaan. Niet dat ik een wonderkind was, in tegendeel: ik had slechte punten en haastte me na die twee jaar zo snel als ik kon naar Gent. Daar gaf Bart Vervaeck het vak postmoderne literatuur al in het eerste semester en kon ik me verdiepen in auteurs als Jacq Firmin Vogelaar, Bert Schierbeek en Claude C. Krijgelmans. Zodra ik mijn weg vond in de wereld van de Nederlandstalige postmodernen, ging ik ook zoeken in de Angelsaksische wereld. Zo is ook Kathy Acker op mijn pad gekomen. Voor mij is zij een van de grootste schrijvers van allemaal.’

Plagiaat

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

Kathy Acker was een van de meest eigenzinnige en radicale stemmen van de 20ste eeuw. De Amerikaanse kunstenares verdiende geld als stripper en pornoactrice, schreef romans en essays en was een meesterdief die bekende boeken herschreef en zo concepten als identiteit en schrijverschap ondermijnde. ‘Kathy Acker was van stichtend belang voor mij als lezer, omdat ik nog nooit iemand zo had weten schrijven over geweld, het lichaam, seks en macht. Acker schopt tegen alle mogelijke heilige huisjes. Haar boeken werden soms gecensureerd, ze had rechtszaken aan haar been wegens plagiaat en almaar ging ze door. Niet uit een nihilistische drang, maar al zoekend naar verbinding, denk ik. Haar werk gaat ook over liefde, verlangen, familie, over de getroebleerde relatie met haar moeder.’ Arno verwijst in zijn eigen werk vrijelijk naar Kathy Acker, zoals met dit citaat in Ex Daemon: ‘Here’s the information, go fuck yourself’, en wet zelf de messen met zinnen als ‘Luister eens, jij met je kanker’ en ‘Ik sta afwachtend op jullie stoep. Ik sta gewapend en klaar op de stoep.’ Arno: ‘Piraterij, diefstal, collage… ze zijn eigen aan mijn Leeswereld. Ik streef naar het werkelijke, naar onthullen dat er niks is om te onthullen. Je borstkas opentrekken en verraden dat je een metalen hart hebt, met onderdelen uit Taiwan. Net in de volstrekte nietsigheid zit de mogelijkheid tot verbinding en magie. Het ontblote, dat is het. Ik wil als schrijver een stok steken in de wielen van de vooruitgang, een klomp gooien naar de windmolens.’

“Net in de volstrekte nietsigheid zit de mogelijkheid tot verbinding en magie. Het ontblote, dat is het. Ik wil als schrijver een stok steken in de wielen van de vooruitgang.”

Volslagen neutraal

Naast literatuurwetenschapper Bart Vervaeck was ook Kris Latoir van uitgeverij Het Balanseer, tevens Arno’s uitgever en eigenaar van de boekhandel waar hij werkt, van groot belang in zijn ontwikkeling tot lezer en schrijver. Hij gooide hem honderden namen toe, waarvan Arno er een paar opnoemt: William S. Burroughs (Naked Lunch), William T. Vollmann (Whores for Gloria), Jacques Roubaud (Quelque chose noir), maar evengoed Kafka of Cărtărescu.

“Ik mis in de mainstream literatuur te veel durf. Ik erken het belang van verhalen, zeer zeker. In de boekhandel zie ik dagelijks wat de impact is van verhalen, hoe ze blijdschap en troost kunnen bieden. Maar als schrijver zie ik met lede ogen aan hoe een soort huis- tuin- en keukenrealisme overheerst.”

‘Sinds ik Michiels las op mijn zestiende ben ik niet ver meer buiten dat kader getreden. Ik mis in de mainstream literatuur te veel durf. Het is zo ongelofelijk flauw, vind ik. Er zijn goede verhalenvertellers en ik erken het belang van verhalen, zeer zeker. In de boekhandel zie ik dagelijks wat de impact is van verhalen, hoe ze blijdschap en troost kunnen bieden. Maar als schrijver zie ik met lede ogen aan hoe een soort huis- tuin- en keukenrealisme overheerst. De psychologiserende autofictie die almaar om trauma draait. We moeten over die thematiek praten, maar als dat enkel in de literatuur gebeurt, leidt dat tot verschraling. Alles is zo volslagen neutraal. Je kan de verhalen zo uit de molen sleuren: held, antiheld, rampspoed, ontknoping. Dat is het dan, die eindeloze stroom aan boeken. Auteurs die tot mijn verbeelding spreken, zijn net auteurs die je niet kan nabootsen, die iets anders doen.’

Britney

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

Maar er is nog hoop, vindt Arno. Hoop dat jonge auteurs als Dominique De Groen (Corpus Britney) en Bob Vanden Broeck (Je zit op een stoel) de Nederlandse letteren besmetten. ‘De Groen was al bekend als dichter’, zegt hij, ‘en heeft nu met Corpus Britney een van de geflipste romans van eigen bodem geschreven. Het doet denken aan Thomas Pynchon. Het is een detective, een noir, een paranormale queeste en het is ook een geschiedkundig verhaal over het proletariaat in het noorden van Schotland, over transatlantische slavenhandel, over tabak, rubber en ook over Britney Spears en popcultuur. Het is waanzinnig. En het verdient alle lof. Nee, de letteren zijn nog niet verloren.’


REEKS: Leeswereld

‘Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereldeen interviewreeks van Matthias M.R. Declercq over de rol van lezen, over schoonheid, over taal.

Mis niets van Iedereen Leest