De leeswereld van Jelle Van Riet
Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Jelle Van Riet, literair journalist.
Door Matthias M.R. Declercq
‘Sommige blinden gebruiken echolocatie om te weten waar ze zijn’, zegt Jelle Van Riet. ‘Dan klikken ze met de tong en letten op de weerkaatsing. Dat is wat literatuur voor mij betekent, het is een soort kliksysteem om grip te krijgen op de wereld om me heen, te weten waar ik ben.’ Jelle Van Riet is literair journaliste. Voor De Standaard der Letteren interviewt ze schrijvers, dat doet ze ook voor de poëziepodcast van kunstenfestival Watou -Het huis van de dichter- en vaak duikt ze op in jury’s voor boekenprijzen. ‘De Jelle die voor u zit is geworden wie ze is door mensen te ontmoeten, kunstwerken te bekijken, door de ervaringen van verlies en geluk, maar ik ben zeker ook gevormd door de boeken die ik heb gelezen.’
Het kliksysteem van Jelle Van Riet is al vroeg ontwikkeld. ‘Als kind was ik sprookjesverslaafd. Mijn ouders hadden een abonnement op Lekturama (Nederlandse uitgeverij die boeken uitsluitend per post verzond). Dat leverde wel een meter aan sprookjesboeken op -van Hans Christian Andersen tot de gebroeders Grimm-, die ik in geen tijd verslond. Ik kom uit een ondernemersfamilie, mijn vader had een bedrijf in wegmarkeringen, en hoewel hij in zijn jeugd veel heeft gelezen, had hij er later de tijd niet meer voor. Door een kast te vullen met boeken, werd ik zonder veel woorden gestimuleerd om te lezen. Hoewel ik mezelf niet zie als het typische klein meisje in een hoekje met een boekje -ik deed aan competitiezwemmen, zat op internaat, deed Latijn-Grieks…- spreekt mijn broer dat toch tegen: ‘Je had áltijd een boek in de hand.’
De oudste piemel
Zo groot en elegant de boekenkast, zo omvangrijk is de Leeswereld van Jelle Van Riet. Dat lijkt logisch, maar is het niet. Afgezien van pure, historische non-fictieboeken, vind je haast alles in de kast: veel Nederlandstalige fictie, vertaalde fictie, memoires, essays, heel veel poëzie en een uitgebreide kast met sprookjesboeken en jeugdliteratuur. ‘Er loopt een rechtstreekse lijn tussen mijn sprookjesverslaving als kind en de liefde die ik als volwassene nog altijd heb voor goed geschreven jeugdliteratuur.’ Jelle schuift een laddertje naar het einde van de kast en haalt een paar jeugdboeken boven die ze parmantig over de bureautafel spreidt. ‘Pikkuhenki, dat al gelezen?’, vraagt Jelle. ‘Fan-tas-tisch, van Toon Tellegen en Marit Törnqvist, over een heks die zó klein was dat ze onder een zandkorrel woonde, naast een stofje, achter een grasspiertje. Ze kruipt in het oor van machtswellustelingen en dwingt hen tot een knieval. En hier, Het geheim van de keel van de nachtegaal, van Peter Verhelst en Carll Cneut, dat is een van de mooiste boeken die ik ooit heb gezien en gelezen. Het is zodanig mooi dat ik twee originele tekeningen van Cneut heb mogen kopen. Dat is zowel qua tekst als qua tekening van een ongekende schoonheid. En hoe heet dat kinderboek ook alweer over seks bij dieren?’ Jelle klimt op de ladder. ‘Ha, hier, Wild verliefd van Ditte Merle.’ Daarin lees je over ‘de oudste piemel’: ‘Er is een prehistorisch zeediertje ontdekt. Een schaaldier, zo klein als een rijstkorrel. Onderzoekers ontdekten het beestje in Engeland, in een aardlaag van 425 miljoen jaar geleden. Niet alleen de schaal was bewaard. Meestal is dat het enige wat overblijft bij zo’n schaaldiertje. Maar de onderzoekers zagen ook zijn voelsprieten en zijn ogen. Zelfs zijn piemel konden ze zien: niet zo’n kleintje ook. Dat was misschien wel het meest bijzonder.’
“'Het geheim van de keel van de nachtegaal', van Peter Verhelst en Carll Cneut, dat is een van de mooiste boeken die ik ooit heb gezien en gelezen. Het is zodanig mooi dat ik twee originele tekeningen van Cneut heb mogen kopen.”
Caleidoscoop
‘Ik ben vertaler-tolk van opleiding, Engels en Spaans, en las als student veel magisch-realistische romans van Zuid-Amerikanen als Gabriel García Márquez, Julio Cortázar, Eduardo Galeano… Dat ging me gemakkelijk af. Na een mondeling examen esthetica, waarvoor ik De Toverberg van Thomas Mann had moeten lezen, zei prof Ludo Abicht: “Je kan ongelofelijk goed lezen.” Dat is mijn talent: lezen.’
“In de jaren na de dood van mijn vader heb ik ontzettend veel gelezen. Lezen is dan toch een soort parallelle wereld die je binnenstapt. Misschien was dat toen een veilige plek voor mij. Als je leest over de grote wereld, over andere mensen die ook van alles meemaken, dan leer je dat de dood van je vader onderdeel is van het leven, dat iedereen mensen verliest. Dat is troostend.”
‘In mijn eerste jaar in Antwerpen is mijn vader gestorven. In de jaren volgend op zijn dood heb ik ontzettend veel boeken gelezen. Ik heb amper herinneringen aan wat ik toen deed, behalve lezen. De Madelief-reeks van Guus Kuijer las ik toen, naast werk van Virginia Woolf. Lezen is dan toch een soort parallelle wereld die je binnenstapt. Misschien was dat toen een veilige plek voor mij. Als je leest over de grote wereld, over andere mensen die ook van alles meemaken, dan leer je dat de dood van je vader onderdeel is van het leven, dat iedereen mensen verliest. Dat is troostend. Je eigen verdriet voelt onmetelijk groot aan, alsof je het nooit te boven komt, maar literatuur slaagt er in dat gevoel weer klein te maken, het in perspectief te plaatsen. Elk boek was en is een lichtpuntje in een caleidoscoop. Hoe meer puntjes, hoe rijker en voller je beeld, en hoe meer je beseft zelf maar een klein lichtje te zijn. Boeken brachten me in rustiger vaarwater. Misschien hebben de Zuid-Amerikanen ook mijn magisch denken wat aangesterkt en zag ik daardoor meer oplossingen.’
Web
‘Als je veel leest, denk je in het ene boek al aan het andere. Je herkent de referenties van de auteurs, raakt nieuwsgierig en vindt overal deuren naar nieuwe verhalen. Miguel Bonnefoy (Erfgoed) lijkt wel een erfgenaam van Márquez; bij het lezen van Olga Tokarczuk dwaal je rond in Poolse bossen en dacht ik aan Marente de Moor (Foon); Het vogelhuis van Eva gaat over Len Howard, enzovoort.’
‘Ook Siri Hustvedt gebruikt literatuur als een kliksysteem. Zij zoekt via andere boeken en andere kunst naar herinneringen in Wat me lief was. Dat boek gaat over verbeelding, over de neurologische werking van onze hersenen. Hustvedt schrijft over een verkrachting, die ze nadien helemaal ontrafelt. Ze probeert grip te krijgen, de werkelijkheid te begrijpen, wat ik dus ook doe. Maar ik ben al lezend niet per se op zoek naar mezelf. Ik zoek geen herkenbaarheid. Er zit in ieder boek wel een echo, maar dat noopt niet expliciet tot zelfreflectie. Lezen leert mij vooral hoe te leven. Tegelijk is het geen vlucht. Als kind ook al niet. Ik houd gewoon ontzettend van boeken. Het is een extra laag op wat er al is. Ik ben erg geïnteresseerd in hoe we met elkaar omgaan. Hoe het verleden vaak de basis is van ons verdere leven. Dat is de basis van mijn werk, ik doe niks liever. En als er dan één genre is, waarin het leven omschreven wordt op een manier die je nergens anders vindt, dan is het poëzie. Praten over poëzie is praten over het leven. Het is een elixir, een distillaat, het is de kern van alles. Volgens mij komt poëzie het dichtst bij de kern van het bestaan, dichtst bij wat het betekent mens te zijn. Ik zou nu zoveel namen kunnen noemen van dichters. Misschien moet ik het houden op Antjie Krog, die meegaat in de ubuntu-filosofie: “Ik is wij”, schrijft Krog. Uiteindelijk blijf je verbonden met wie je pijn doet. Het maakt deel uit van wie je bent. Je vergiftigt jezelf alleen als je niet kan vergeven. Altijd blijft een stuk van de ander in je achter. Dus laat de liefde stromen. Het zuivert je. Ja, laten we daarmee besluiten: laat de liefde stromen.’
REEKS: Leeswereld
‘Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks van Matthias M.R. Declercq over de rol van lezen, over schoonheid, over taal.