De leeswereld van Walter Prevenier
‘Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Walter Prevenier, historicus.
Door Matthias M.R. Declercq
‘In 1950 ontwikkelde ik een plotse, intense passie voor literatuur’, zegt Walter Prevenier. De negentiger, kwiek als een springveer, zit aan de keukentafel van zijn flat in Seniorcity, een ruim bemeten woonzorgcentrum in Gent. ‘Ik las als kind erg veel, maar in de jaren ’50 ging de wereld echt open. Toen leidden leerkrachten Engels, Frans en Nederlands mij naar de grote namen van de literatuur.’
Prevenier, een uit Zelzate afkomstige historicus gespecialiseerd in de middeleeuwen, de paleografie en de oorkondenleer, verwierf een cultstatus aan de UGent als docent Historische Kritiek. Al wie in de jaren tachtig en negentig een opleiding in de Letteren of de Wijsbegeerte volgde, passeerde bij Prevenier, werd gepusht om te durven denken en zou de kleine, welbespraakte man niet gauw vergeten. Ook de VS zijn hem niet vergeten. Prevenier reisde frequent naar de States om in verschillende staten de jonge generaties te begeesteren. Hij schreef ook een resem boeken en altijd is de Oost-Vlaming een docent gebleven. Ons bijna twee uur durend gesprek voelt aan als een lezing, zijn flat als een aula, zijn stem de soundtrack van een leven gebaseerd op de waarheid, of althans de zoektocht naar die waarheid. ‘Ik lees al mijn hele leven’, zegt hij, ‘ik schrijf al mijn hele leven en ik ga dat blijven doen tot ik er niet meer ben.’
Stoner
Op de tafel ligt een blad met aantekeningen. Tussen een stapel boeken - Tom Lanoye, Stefan Hertmans, Rik Van Puymbroeck- steken notities en feilloos is de taal waarmee Prevenier zijn Leeswereld tot leven wekt. ‘Hoewel ik als academicus de hele tijd bezig ben met non-fictie, blijf ik ook romans lezen’, zegt hij. ‘Niet louter uit ontspanning, maar evenzeer om de wereld beter te begrijpen.’ Walter Prevenier heeft als historicus zijn Leeswereld gedocumenteerd. ‘Dit zijn de boeken die ik sinds die oplaaiende passie als tiener heb gelezen’. Hij schuift me een paar vergeelde A4’tjes toe: oud papier waarop hij destijds met een typemachine bijhield wat hij las. Nederlandse bibliotheek is de titel van de bovenliggende lijst, met daarop honderden titels als De jeugd als inspiratiebron van Hubert Lampo, Lenteleven van Stijn Streuvels, Billy Budd van Herman Melville, Van Nitsjevo tot Chorosjo! van Johan Daisne en De gedaanteverwisseling van Franz Kafka.
Zeventien jaar was Walter Prevenier toen hij Racine, Molière, Descartes, Sophocles en Maeterlinck in het Frans las. Hij las ook over letterkunde, methodiek en geschiedenis, op een moment dat klasgenoten amper hun veters konden strikken. Hij maakte deel uit van de Zwitserse Billiken Pen Club, schreef brieven naar mensen die hij nooit ontmoette, kreeg brieven in het Frans terug uit Zuid-Vietnam, in het Duits uit Finland (‘Ich bedaure, dass Sie nicht begeisterter FREIDENKER sind wie ich.’). Nooit zou de vrijdenker uit Zelzate verworden tot een Stoner, naar het boek van John Williams, waarin het leven van het hoofdpersonage, een academicus, verzandt en verrafelt.
Mensenkennis
‘Ik lees fictie om geen stommiteiten te begaan in het echte leven’, zegt Prevenier. ‘Je kan een boek lezen over zestiende-eeuwse kooplieden, wat boeiend is, maar om de mensen om je heen te begrijpen zul je toch fictie moeten lezen. Dankzij romans leerde ik de lichaamstaal van collega’s ontcijferen, dankzij romans kon ik de gedachtenwereld van anderen decoderen, dankzij romans kon ik me handhaven als decaan, te weten dat ik jonge collega’s in toom moest houden. Je kan niet geloven hoeveel mensenkennis je nodig hebt om geen verkeerde beslissingen te nemen. Niet alleen romans, ook films hielpen me daarbij. Ik ben de zoon van een patissier die een tiental jaar ook een paar cinema’s exploiteerde. Wel, je kan een naslagwerk lezen over de ontmoeting van Hitler en Mussolini, maar je kan ook kijken ook naar Una giornata particolare. Dan zie je Sophia Loren ook nog eens.’ (lacht)
“Dankzij romans leerde ik de lichaamstaal van collega’s ontcijferen, dankzij romans kon ik de gedachtenwereld van anderen decoderen, dankzij romans kon ik me handhaven als decaan, te weten dat ik jonge collega’s in toom moest houden.”
‘Fictie is mijn vluchtheuvel. Na de dagelijkse focus op wetenschappelijke tijdschriften, essays en andere onderzoeken, is de roman de plek waar alles een gevoel krijgt, een gezicht. Toen De Bourgondiërs van Bart Van Loo werd gepubliceerd, kreeg de romanist veel kritiek van historici. Ik heb Van Loo meteen verdedigd. Hij laat inderdaad personages fictieve dialogen voeren, tot grote onvrede van veel van mijn collega’s. Van Loo zegt wat de Bourgondiërs moeten hebben gedacht in die tijd. Dat wierp een criticus op in een debat, dat zoiets not done is. Waarop ik zei: “En wat doen wij dan, historici, doen wij niet net hetzelfde?” De Bourgondiërs is zo goed, omdat de auteur weet waarover hij schrijft. De gaten in onze kennis van die geschiedenis vult hij op met zijn verbeelding. Die verbeelding is heel realistisch. Van Loo schrijft geloofwaardige dialogen, daarom houd ik zo van dat boek.’
Verhulst
Wie in 1934 is geboren, is in 2026 ouder dan haast iedereen. Prevenier kan er om lachen. ‘Romans brengen mijn eigen verleden tot leven. In De draaischijf, een fantastisch boek overigens, beschrijft Lanoye het leven in de jodenwijk in Antwerpen vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Ik liep daar toen zelf rond als kind. Mijn vader exploiteerde een bioscoop in de buurt en ik zie nog scherp voor ogen hoe alles er toen uitzag. En De opgang van Stefan Hertmans gaat zelfs over mensen die ik heel goed heb gekend. Voor een van hen, Adriaan Verhulst, schreef ik zelfs een lovende necrologie bij zijn overlijden.’
In De opgang schrijft Stefan Hertmans over de vroegere bewoner van een Gents huis dat de schrijver in 1979 kocht: Willem Verhulst, een vooraanstaande SS’er die mee afrekeningen en deportaties organiseerde. ‘De zoon van Willem, Adriaan, was mijn collega proximus aan de unief, een mediëvist met wie ik dertig jaar lang lesgaf en met wie ik het liberaal archief heb opgericht. We zaten samen in allerlei liberale, vrijzinnige, vlaamsgezinde verenigingen. Plots verplichtte dat boek me om mijn geschiedenis met Adriaan te herdenken. Voor de zoveelste keer drukte de fictie me dus met de neus op de feiten. Hoewel het natuurlijk ook een roman is, sta ik toe dat Hertmans met mijn voeten speelt. Ja, ik kan die klik maken. Al heb ik nadien contact gezocht met de auteur, aan wie ik trouwens ooit lesgaf. Ik legde uit dat zijn herinneringen -Hertmans had ook les gekregen van Adriaan- niet stroken met die van mij. Daarin schuilt de vrijheid van de romancier: de auteur mag doen met personages wat hij wil, zolang het maar authentiek is, geloofwaardig. Dan heb je me helemaal beet.’
REEKS: Leeswereld
‘Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks van Matthias M.R. Declercq over de rol van lezen, over schoonheid, over taal.