In het atelier van Guido Van Genechten

Hoe ziet de werkruimte van illustratoren eruit? Wat zijn hun rituelen, talismannen en eigenaardigheden? Waaruit putten ze inspiratie en hoe komen ze tot hun beste werk? Journaliste Katrien Steyaert mag binnenkijken in hun ateliers en in hun creatieve geesten. Michiel Devijver maakt er foto’s bij. Deze keer: op bezoek bij Guido Van Genechten in Mol.

door Katrien Steyaert
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

Noorderlicht

'Ik vind het prachtig als ik weer even de poëtische bril van een kleuter kan opzetten en weer even niet te blasé ben om iets kleins als een madeliefje spannend te vinden. Ik word er dagelijks aan herinnerd, hier in mijn atelier. Het grenst aan onze tuin en als ik wil, verrijd ik mijn tafel tot vlak bij het raam. Het noorderlicht dat binnenvalt, is het beste, want de toon daarvan is neutraler dan die van warm zuiderlicht. Ook aangenaam is dat ik niet meer zoals vroeger, toen ik aan een tafel in onze living werkte, moet opruimen. Ik kan mijn schetsen en snippers laten liggen, wat mij de volgende dag weer kan triggeren.’

Picasso achterna

‘Elke ochtend sta ik om half zeven op, en soms nog vroeger zodat ik voor het ontbijt al iets kan maken. De dag moet dan nog beginnen, maar ik heb me al geamuseerd. Dat spelen is het allerbelangrijkste. Ik begrijp Picasso beter en beter, die bij het minste idee naar zijn atelier rende en daar tot tien werken per dag maakte. Ik dacht al weleens bij mezelf: stop toch met dingen maken, de wereld is al zo vol. Maar het is sterker dan mezelf: ik wil spelen. Ik wil nieuwe materialen ontdekken, nieuwe invallen krijgen, nog niet weten waar die me zullen brengen, maar gaandeweg een ingang tot een verhaal vinden. Dat geeft echt een kick.’

Je eigen psychiater

‘In mijn beste momenten zit ik zo in het werk dat ik het zelfs niet hoor als mijn vrouw Ida iets zegt. Maar dat lukt lang niet elke dag. Vroeger zou ik dan doorgeduwd hebben tot het misschien toch op iets ging lijken, maar vandaag weet ik dat ik beter stop. Ik kijk er niet zo graag op terug, maar vaak is het niet slecht om minder geslaagde pogingen te analyseren. Dan zie ik dat ik mijn prenten opsmukte of te veel subplotjes bedacht omdat het me ontbrak aan een sterke essentie. Ik merk ook dat een dipje veroorzaakt kan worden door niet aandachtig genoeg te zijn. En zo ben je als illustrator vaak een beetje je eigen psychiater.’

“Ik begrijp Picasso beter en beter, die bij het minste idee naar zijn atelier rende en daar tot tien werken per dag maakte. Ik dacht al weleens bij mezelf: stop toch met dingen maken, de wereld is al zo vol. Maar het is sterker dan mezelf: ik wil spelen.”

Yoga

‘Hoe ik me voel, is voor mijn werk niet relevant. Ik maakte weleens moeilijkere periodes door en toch leden mijn illustraties daar niet onder. Integendeel, aan de slag gaan, helpt vaak. Ik volgde een jaar of twee yogalessen en leerde daar hoe lichaam en geest elkaar wederzijds kunnen beïnvloeden. Niet dat ik zo zen ben, absoluut niet, maar het zette me aan het denken over de relativiteit van goed of slecht in je vel zitten. Dat is ook de misvatting over Van Gogh: zijn getormenteerde persoonlijkheid is niet de essentie van zijn werk. Dat was zijn kijk op de natuur en hoe hij die transformeerde tot bijzondere, visuele impressies.’

Rikki's blik

‘Ik heb een bibliotheek vol prentenboeken en bezoek elk jaar tussen de 25 en 50 tentoonstellingen omdat ik het bijna fysiek nodig heb om goed werk te zien. Onlangs werd ik blij verrast in Delft, door een schilderij van Pieter de Hooch waarop een meisje zo levensecht naar haar moeder keek dat dat de rest van de ruimte waarin ze stonden bezielde. Die communicatie met de kijker is essentieel. Daarom wacht ik altijd op het moment dat Rikki’s ogen – die vlekkerige puntjes – naar mij terugkijken. Dan weet ik dat ze ook anderen kunnen raken. Hoe ik weet dat het goed zit? Intuïtie. Of zelfbegoocheling – wie zal het zeggen?’

Enveloppen met halve ideetjes

‘Realisme is niet aan mij besteed. Laat mij een beeld van een echt konijn googelen en die overload aan informatie verlamt me. Onlangs maakte ik een boek over papavers. Ik vertrok daarvoor niet van foto’s, maar van zelfgemaakte, papieren bloemen. Daar zit al een stilering in én ik kan ze naar mijn hand zetten. De snippers papier die ik na het uitknippen overhield, stopte ik per kleur in mijn verzameldozen. Ik put daaruit als ik bijvoorbeeld de collages voor Klein wit visje maak. Ik bewaar ook honderden enveloppen met halve ideetjes. Als ik vastloop, open ik er een paar en kom ik daardoor soms weer op gang.’

“Realisme is niet aan mij besteed. Laat mij een beeld van een echt konijn googelen en die overload aan informatie verlamt me.”

Accidenten

‘Mijn laatste boekjes maakte ik op de iPad met het programma Procreate. Ik had digitaal werken lang afgeweerd omdat het me te steriel leek. Ik dacht meer voeling te hebben met echt papier dat al een patine heeft, of met aardappelstempels die ik zelf kan uitsnijden. En digitale brushes gebruiken die imitaties zijn van echte penselen, dat is toch bizar? Ik geloofde bovendien dat het geen ruimte bood voor leuke accidenten. Je stoot een potje verf om en net daaruit groeit iets nieuws. Alleen als een tekening niet helemaal af is, kan het tot leven komen. Wat blijkt? Met Procreate heb ik nog altijd veel accidenten. Oef!’ (lacht)

Bobby, my assistant the cat

‘Als ik er echt niet uit geraak, ga ik weleens te rade bij mijn geboetseerde Rikki. Met dat poppetje is het allemaal begonnen. Tijdens het drogen viel zijn oor slap en ik had mijn insteek. Natuurlijk geeft dat ding me niet echt raad, maar hij spiegelt iets van wat ik wil weten, als een boeddha. Zo gaat het ook bij mijn kat. Ik noem hem ‘Bobby, my assistant the cat’ en heb eten voor hem staan in mijn atelier. Op de vensterbanken staan dan weer allerlei spulletjes, van zeesterren tot covers gemaakt door Dick Bruna – allemaal herinneren ze me aan hoeveel zeggingskracht iets schijnbaar eenvoudigs kan hebben.’

Tijd verbeuzelen

‘Ik kom graag in the mood door nóg een koffie te drinken, nóg eens de krant te lezen, nóg een stukje Bach op te zetten. Alles opdat ik niet het gevoel heb dat ik een nine to five heb. Ik leg mezelf heel weinig concrete doelen op, en met vaste opdrachten ben ik tien jaar geleden gestopt. Ze brachten me veel bij, maar haalden ook de creatieve drive weg. Ik moet vrij kunnen zijn, kunnen knutselen aan bijvoorbeeld een zwart boekje dat ik nooit zal uitbrengen – ik wil kinderen niet met melancholie vervelen – maar waarvan ik alle mogelijkheden wil exploreren. Ik wil tijd verbeuzelen. Dagdromen. En als ik zin heb, tot 23 uur doorwerken.’

“Mijn boeken belanden in zoveel huiskamers en klassen, waar ze er soms een moraal of gedragsregels uit distilleren. Maar dat bedoel ik nooit zo. Ik word zelfs steeds beduchter om dingen te duiden of stellig te beweren.”

Opwinding en ontroering

‘Onlangs had ik geen echte crisis, maar de verantwoordelijkheid drukte toch op mij. Mijn boeken belanden in zoveel huiskamers en klassen, waar ze er soms een moraal of gedragsregels uit distilleren. Maar dat bedoel ik nooit zo. Ik word zelfs steeds beduchter om dingen te duiden of stellig te beweren. Toch blijf ik werken omdat ik, van zodra ik een lijn op papier zet, die opwinding voel van iets dat onder mijn handen ontstaat. Ik werd zelf één keer hevig ontroerd door simpele potloodlijntjes. Het was in het Louvre bij een tekening van Ingres. Plots keek ik door zijn ogen naar zijn geliefde en ik schoot vol. Dat is toch pure magie?’



Deel dit artikel: